Gaasgegevens

Gaas kan zijn geweven volgens de 1:1 methode: 1 draad op en 1 draad neer. Dit wordt aangeduid als 1:1 of PW (Plain Weave) en de weefmethode heet Platbinding. Dit gaastype geeft het beste drukbeeld en een zeer gelijkmatige inktopdracht. Ook bestaat er nog de weefmethode die Keperbinding of TW (Twill Weave) heet. Daarbij wordt 1:2 of 2:2 geweven: 1 draad op en 2 draden neer, resp. 2 draden op en 2 draden neer. Deze gaastypen zijn eigenlijk niet goed bruikbaar voor zeefdruk. De inktopdracht is laag en bovendien ongelijkmatig en de kans op moiré bij rasterdruk is groot.  Met het blote oog of zelfs met een microscoop is het verschil tussen een PW en een TW gaas niet te zien. Kijkt u echter LANGS het raam en laat u daarbij een lichtbron (b.v. de TL verlichting) op het gaas weerschijnen, dan zult u bij een TW gaastype diagonale lijnen zien. Dat gaas kan u dus problemen opleveren.
Omdat vrijwel alle gaasnummers momenteel in 1:1 (PW) uitvoering verkrijgbaar zijn, hebben we uitsluitend dat gaastype in onze tabel opgenomen.

Gaasnummer, meshgetal en draaddikte
Het gaasnummer is het aantal draden per STREKKENDE centimeter, het meshgetal is het aantal draden per strekkende Inch. Over het algemeen wordt polyester gaas met het gaasnummer aangeduid, terwijl staalgaas met het meshgetal wordt benoemd. (Vraag me niet waarom.) Echter in Engelssprekende landen wordt polyester gaas ook met het meshgetal aangeduid. Achter het gaasnummer of het meshgetal staat nog een getal. In beide gevallen is dat de metrische aanduiding van de nominale draaddikte: de dikte van de draad voordat deze wordt geweven, uitgedrukt in µm (=1/1000 mm). De draaddikte vormt, samen met de grootte van de maasopening een indicatie voor het te verwachten vloeigedrag van de inkt. De inkt gaat tenslotte door de mazen heen en de draden zitten daarbij in de weg. Hoe groter de maas is t.o.v. de draad, hoe gemakkelijker de inkt er doorheen zal vloeien. Een moeilijk vloeiende inkt zal dus een gunstiger verhouding draad/maas moeten hebben dan een dunne soepel vloeiende inkt.

Kleur
Tijdens het belichten zullen de stralen gedeeltelijk weerkaatsen op het oppervlak van de draad en gedeeltelijk in de draad dringen en daar in verstrooide vorm weer uittreden. Dat geeft harding van de emulsie op plaatsen waar dat ongewenst is. Fijne details van het drukbeeld zullen daardoor wegbelichten. Een remedie daartegen is de toepassing van geel (of oranje) gekleurd gaas. Deze kleuren absorberen de UV-stralen en voorkomen daardoor de onderstraling bij de belichting. Wanneer uitsluitend minder fijne details worden gedrukt (waarbij dan ook grovere gaassoorten worden ingezet), kan met wit gaas worden volstaan. In alle andere gevallen is gekleurd gaas een must. Om de prijs behoeft u het niet te laten, de gele gazen zijn nauwelijks duurder dan de witte. Wit gaas geeft een wat beter doorzicht bij het drukken en is mechanisch wat sterker dan gekleurd gaas.

Weefseldikte
Dit is de dikte van het geweven gaas. De weefseldikte is MINDER dan 2 x de nominale draaddikte, omdat bij het weefproces de draad wordt gebogen en op de draadkruisingen daardoor dunner wordt. De weefseldikte vormt een belangrijke parameter voor de inktopdracht, zie onder Theoretische inktvolume.

Doorlaat
Doorlaat is het percentage van het gaasoppervlak dat in beslag wordt genomen door de mazen. Hoe hoger de doorlaat, hoe gemakkelijker de inkt erdoor vloeit. Zie onder Draaddikte.

Theoretische inktvolume
Dit wordt eenvoudig berekend: dikte x doorlaat. Het geeft aan hoeveel cc inkt er totaal in de mazen van 1 m2 gaas past. Dat is dus een indicatie van de te drukken inktlaagdikte. Omdat het 1 m2 betreft, kan het getal ook gelezen worden als inktlaagdikte, uitgedrukt in µm. Voorbeeld: Gaas 120-34 kan per m2 totaal 16 cc inkt bevatten, wat overeenkomt met 16 µm (natte) inktlaagdikte. Als u van een oplosmiddelinkt het gehalte aan vaste stof weet, kunt u de gedroogde inktlaagdikte ook berekenen. Voorbeeld: u gebruikt een inkt met een vastestofgehalte van 40%. In dat geval zal de bovenstaande natte inktlaagdikte na droging (dus verdamping van het oplosmiddel) nog een dikte hebben van 40% x 16 µm = 6,4 µm. Een UV-inkt echter, verdampt vrijwel niets en zal dus (in ons voorbeeld) in gedroogde toestand nog steeds een laagdikte van vrijwel 16 µm hebben. Natuurlijk beïnvloeden andere parameters de inktlaagdikte ook nog, maar dit is de basis. De hoeveelheid inkt wordt in hoofdzaak bepaald door de gaasinhoud (plus de sjabloonlaagdikte, als het beelddelen betreft die kleiner dan 4 mm zijn).

Praktijk

Gaaskeuze
De gaastabel kan een praktische hulp zijn bij uw gaaskeuze. Het is niet altijd zo dat een hoger gaasnummer altijd een lagere inktopbrengst geeft. Dat hangt van de verhouding tussen draad en maas af. De kolom Theoretische inktvolume geeft u echter een juiste en vergelijkende indicatie.

Voorbeeld: u drukt nu met oplosmiddelinkt met een 120-34 gaas en u wilt hetzelfde werk in UV uitvoeren, natuurlijk met dezelfde beeldkwaliteit.

Uw 120-34 gaas geeft een inktvolume van 16 cc/m2. U moet nu naar een dunnere inktlaag, immers uw gedroogde UV inktlaag wilt u liefst niet dikker zien dan bij de gedroogde oplosmiddelinkt het geval was (6,4 µm). Daartoe raadpleegt u de tabel. Gaas 150-34 brengt uw inkvolume omlaag tot 7 cc/m2, hetgeen al aardig in de richting komt. Echter, de verhouding tussen draad en maas is in dit geval ongunstig: slechts 12,1% doorlaat, terwijl u met uw 120-34 nog 29,6% doorlaat had. U zult druktechnisch beter uit de voeten kunnen met gaas 150-31 of 150-27, met een inktvolume van 12, resp. 11 cc/m2.  Die ontlopen elkaar dus niet zo veel.

Aan u de keuze. De 150-27 geeft een doorlaat die in de buurt komt van uw 120-34. Echter de dunne 27 µm draad is kwetsbaarder en minder maatvast dan de 31 µm draad. Het hangt in dit geval van het soort werk af, welke keuze u zult maken. Maar de gaastabel zorgt ervoor dat u weet wat u kiest.

Dikte capillairfilm
Als u capillairfilm gebruikt, kunt u de dikte daarvan kiezen met behulp van de gaastabel. Uitgaande van het feit dat u de aanbrengmethode zodanig hebt gekozen dat de filmlaag de mazen GEHEEL vult, kunt u vaststellen hoeveel film er per m2 totaal in de mazen past. Ook dat laat zich weer lezen als laagdikte.

Voorbeeld: 120-34 gaas heeft een Theoretisch inktvolume van 16 cc/m2, hetgeen overeenkomt met 16 µm laagdikte. Uw capillairfilm mag dus niet dunner zijn dan die 16 µm. Het hangt van de fabrikant van uw film af, welke keuzes u hebt in diktes. Gebruikt u bijvoorbeeld Autotype Capillex film, dan heeft u de keuze tussen 18 en 20 µm. Kiest u voor 18 µm, dan gaat daarvan 16 µ in de mazen zitten en houdt u een sjabloonlaagdikte over van 2 µm.  Of gebruikt u wellicht Ulano? Dan komt u terecht bij de CDF-2/UV, met een dikte van 20 µm. Daarmee zal uw sjabloonlaag een dikte hebben van 20 – 16 = 4 µm. Zo kunt u van elke gaassoort zelf vaststellen welke capillairfilm daarvoor geschikt is.